Vrijheidsbeneming op maat

Vrijheidsbeneming van jongeren is een laatste middel. Als vrijheidsbeneming toch noodzakelijk is, moeten begeleiding, behandeling en beveiliging maximaal bijdragen aan het stimuleren van een gezonde ontwikkeling. Zo wordt ook recidive zo veel mogelijk voorkomen. Een gedifferentieerde aanpak is nodig voor het aansluiten bij behoeftes van de jongeren en het bieden van maatwerk op het gebied van begeleiding, behandeling en beveiliging. In de zomer van 2019 is hiertoe vanuit de Verkenning Invulling Vrijheidsbeneming Justitiële Jeugd (VIV JJI) het veranderprogramma ‘Vrijheidsbeneming op Maat’ (VOM) opgezet. Binnen VOM worden twee nieuwe modaliteiten ingevoerd: de Kleinschalige Voorzieningen Justitiële Jeugd (KVJJ) en de Forensische Centra Jeugd (FCJ). Dit project richt zich op de FCJ. Door middel van pilots wordt binnen de huidige JJI’s geëxperimenteerd met de wijze waarop invulling gegeven kan worden aan (onderdelen van) deze toekomstige FCJ. De Academische Werkplaats Risicojeugd (AWRJ) heeft, deels in samenwerking met Significant Public, de opdracht gekregen om de pilots in de JJI te evalueren en te ondersteunen in de (door)ontwikkeling en implementatie van praktijk en beleid.

Het project

Het doel van de evaluatie van de pilots in de JJI is om het verloop van de pilots, de succesfactoren en belemmerende factoren en randvoorwaarden in kaart te brengen. Daarbij gaat het om zowel inhoudelijke aspecten, als om organisatorische- en bedrijfsvoeringaspecten. De looptijd van de pilots varieert maar het project loopt in principe van begin 2021 tot eind 2022. De pilots zijn onder te verdelen in vier thema’s.

1) Basisafdeling en procesdiagnostiek: In het traject van alle jongeren komt voorafgaand aan de periode van vrijheidsbeneming de vraag aan de orde: Plaatsen wij de jongere in een KVJJ of FCJ?’ Direct na plaatsing in de FCJ spelen screening, risicotaxatie en diagnostiek een belangrijke rol en gedurende het traject wordt continu bekeken wat de beste plek is voor de jongere. Op deze manier kunnen passende zorg en beveiliging op maat geboden blijven worden. Om maatwerk in zorg en beveiliging te kunnen leveren, is het van belang dat er een compleet beeld is van de jongere en zijn omgeving over wat er nodig is om risicofactoren te verminderen en beschermende factoren te versterken. Daarvan uit kan een individueel plan gemaakt worden, waarbij naast bovenal de jongere en zijn netwerk zelf, alle relevante partijen voor de jongere (zoals ketenpartners en steunfiguren uit het netwerk)zijn aangesloten en een stem hebben. Vanuit het programma VOM is het idee dat jongeren bij plaatsing in een FCJ eerst naar een basisafdeling gaan, waar in inschatting gemaakt wordt voor het vervolgtraject (buiten of binnen de FCJ). Door middel van procesdiagnostiek en risicomanagement kunnen op een gestructureerde wijze de ontwikkelingen binnen de behandeling en mogelijkheden richting het toekomstperspectief blijvend worden gemonitord. Op basis hiervan wordt het traject ingericht.

2) Arbeidstoeleiding en scholing: Arbeidstoeleiding is een belangrijk onderdeel van VOM. Het uitgangspunt is dat het kunnen bieden van een reëel toekomstperspectief kan bijdragen aan een positieve ontwikkeling. Het voorbereiden op werk of een vervolgopleiding, vraagt om maatwerk. Het is belangrijk om samen met de jongere te kijken wat hij/zij in de toekomst wil, wat haalbaar is en hoe binnen de FCJ een zo goed mogelijke voorbereiding qua opleiding, werk of stage vormgegeven kan worden. In een FCJ is het de bedoeling dat een integraal vormgegeven dagprogramma (met de verschillend disciplines in de FCJ) erop gericht is om, ongeacht de afdeling van de jongere, passend aanbod te bieden bestaande uit behandeling, onderwijs, recreatie en arbeidstoeleiding.

3) Transforensische zorg: Een belangrijk uitgangspunt van VOM is dat er in de FCJ’s een doorlopend en integraal dagprogramma is met passende zorg en begeleiding (maatwerk), waarbij continuïteit in trajecten mogelijk is. Dit wordt transforensische zorg genoemd. Transforensische zorg is een breed begrip dat betrekking heeft op verschillende fases: instroom (continueren van al aanwezige zorg), verblijf (opstarten van doorlopende zorg) uitstroom (direct aansluitende zorg en een passende verblijfsplek realiseren). Het kent vele vormen van zorg, van wijkteams tot zware forensische hulpverlening. Transforensische zorg is niet alleen het naar binnen halen van externe zorg en begeleiding, maar ook waar nodig het tijdelijk betrokken blijven van medewerkers vanuit de FCJ (bijvoorbeeld de mentor of de therapeut) na uitstroom. Tevens kan het bieden van continuïteit in zorg en begeleiding zowel gericht zijn op het formele als het informele netwerk van de jongere Het betreft ook systeemgericht werken en continue betrekken van de ouders/verzorgers en bredere netwerk van de jongere.

4) Laag beveiligde units: Om maatwerk te kunnen bieden worden er verschillende beveiligingsniveaus gecreëerd binnen een FCJ. Het uitgangspunt van de Laag Beveiligde Unit (LBU) is dat ten opzichte van de andere groepen in de FCJ, het niveau van procedurele en fysieke beveiliging in de LBU lager is. De nadruk ligt meer op relationele beveiliging: jongeren krijgen ruimte om te leren met vallen en opstaan, waarbij de autonomie en eigen verantwoordelijkheid van de jongeren worden versterkt. Van de jongeren wordt een grotere mate van zelfstandigheid verwacht dan op andere groepen. De professionals nemen een coachende rol aan en werken zo min mogelijk vanuit een repressieve houding. Zorg en begeleiding worden op maat ingezet, aansluitend bij de zorgbehoefte van de jongere op het moment van plaatsing, gericht op een goede overgang vanuit de FCJ naar een vervolgplek buiten. Een LBU kan zowel intern (afdeling binnen de normaal beveiligde ring) als extern (apart gebouw op het terrein van de instelling buiten de normaal beveiligde ring) worden vormgegeven.

Resultaten

Het is de bedoeling dat met de pilots en evaluatie de contouren van de toekomstige FCJ en de stappen om daar te komen steeds duidelijker worden. De evaluatie van de AWRJ bestaat hiertoe uit actieonderzoek: de onderzoeksresultaten worden gedurende de pilot teruggekoppeld naar de praktijk als input voor ontwikkeling. Dit heeft enerzijds tot doel om de bevindingen uit het onderzoek te valideren en anderzijds om samen met de betrokkenen de inzichten te duiden en punten voor doorontwikkeling te formuleren. Vervolgens wordt de ingezette ontwikkeling meegenomen in het onderzoek. De onderzoeksresultaten worden verzameld door een combinatie van dossieronderzoek, interviews met professionals, jongeren en hun netwerk, focusgroepen en observaties.